ONDERWIJSVERNIEUWING - EEN REFLECTIE
Met de invoering van de Status Aparte in 1986 kreeg het Departement Onderwijs van Aruba de opdracht om een nieuw onderwijsbeleid te ontwikkelen. Het nieuwe onderwijssysteem moest de eigen sociale, culturele en historische identiteit een belangrijker plaats geven. De gedachten hierover werden uitgewerkt in de SHO-nota, ´Vernieuwing van het Onderwijs: prioriteit voor de toekomst´ (1988).
In 1989 werd de nota ´Beleid voor de EducashonProfeshonalBasico (EPB)´ uitgebracht. Dierichtte zich onder meer op samenvoeging van de drie bestaande vormen van lager beroepsonderwijs (Huishoudschool, ETAO en de Technische School). Deze opzet werd in 1995 vormgegeven met de nieuwe EPB-school waarbij leerlingen eerst een 2-jarige basiscyclus doorlopen, gevolgd door een eveneens 2-jarige voortgezette cyclus. Daarna werd ook het Middelbaar Beroepsonderwijs (EPI) verder uitgewerkt.
Vanaf 1996 kwam de hoofdaandacht op de vernieuwing van het kleuter- en basisonderwijs (Priepeb) en het algemeen voortgezet onderwijs (SHA). Vooral voor het Basisonderwijs werden, zijnde de basis voor succes in het vervolgonderwijs, hoogdravende idealen opgesteld die na ruim 18 jaar nog steeds niet in/voor de praktijkzijn uitgewerkt. De Stuurgroep Herstructurering van het Algemeen voortgezet onderwijs (SHA) had als doel het Mavo-, Havo- en Vwo-onderwijs te moderniseren. De speerpunten waren een nieuw curriculum en bijpassende didactiek, een verbeterde leerlingenzorg en een hoge(re) kwaliteit van het onderwijs.
Naast deze op zich zelf veeleisende projecten stond een heel scala aan andere projecten op de plank waaronder nieuw beleid voor taal, ICT, drop-outs, academisch onderwijs, na-schoolse opvang, onderwijsbewustzijn bij ouders, volwasseneducatie, multi-disciplinaire opvang voor ´moeilijke´ jongeren, een Nationaal Onderwijsplan, een nieuw onderwijsbeleidsplan, enz. Hoewel alle initiatieven bijzonder lofwaardig en noodzakelijk waren, legden ze wel een bijzonder zware druk op de weinige deskundigen die voorhanden waren. De bekende nadelen van kleinschaligheid speelden een beperkende rol. Het werd dan ook langzamerhand duidelijk dat de ambities te hoog gegrepen waren. Daarnaast bestond de indruk dat het idealistisch gehalte hoger was dan de realiteitszin. Dit deed zich onder meer voor bij de nieuwe opzet van het Havo- en Vwo-onderwijs.
Het uitgangspunt van de CicloBasicoin het Algemeen Voortgezet Ondewijs (AVO), uitmondend in het ‘overgangsjaar’ (3e klas), tevens 1e jaar van de CicloAvansa, is een brede algemene vorming. Mede op grond daarvan werden nieuwe ´verzamelvakken´ ontwikkeld en werdbij de normering aan elk vak dat aangeboden wordt, een even grote waarde toegekend. LO, culturele en kunstzinnige vorming en godsdienst deden bijvoorbeeld niet onder voor wiskunde, Engels en Nederlands.Daarbij werd wèl uit het oog verlorendat de 3e klas de leerlingen ook direct voorbereidt voor onderwijs waarbij de uiteindelijke selectie door middel van het examen strak gebonden is aan de examenvakken. Deze geven ook de doorslag bij toelating in het Hoger (Beroeps) en universitair Onderwijs.
Het kon daarom voorkomen dat leerlingen voor de examenvakken Nederlands, Engels èn wiskunde een onvoldoende hadden die echter werd gecompenseerddoor andere (ook niet-examen)vakken.Zijgingen dan wel over naar de voorexamenklaswaar heel andere normen gelden en maaktenvanzelfsprekend geen kans. Feitelijk zette de schoolveel leerlingen met die norm op het verkeerde been en bewees hen dus geen enkele dienst. Geen wonder dat in de HAVO-4, waar de normen meer zijn afgesteld op de aanstaande examennormen, al jaren amper 50% van de leerlingen overgaat.
Wanneer de overgebleven Havo-leerlingen zich vervolgens moeten meten met in Nederland opgestelde examens, slaagt er uiteindelijk nog maar een heel klein deel van de leerlingen die 5 daarvoor met goede moed aan de CicloBasico begonnen.
Niet voor niets nam ColegioArubanozelf nog slechts recent het initiatief om de grote uitval van leerlingen door de jaren heen te beperken. Onderzoek wees uit welke normen moesten gelden om te voorkomen dat leerlingen jaren op Colegio doorbrachten terwijl hun vooruitzichten op het felbegeerde diploma vrijwel kansloos waren. Met de nieuwe normen zouden ook de hoge financiële, en maatschappelijke kosten die doubleren en drop-out met zich meebrengen sterk verminderen.
De protesten tegen de normverzwaring op Colegio die daarop vooral vanuit de politiek volgden zijn mogelijk gebaseerd op de bestaande cultuur om ´iedereen een kans te geven´. Daarmee ontkent men de realiteit dat het nog steeds onmogelijk is om diamant uit glas te slijpen. Een vergelijking van de overgangsnormen van de 3e klas met die van Nederland leert dat die veel zwaarder zijn waardoor leerlingen veel hogere prestaties moeten leveren. Het algehele zittenblijverspercentage is dan ook veel lager. Hogere normen hoeven er namelijk niet per sé toe te leiden dat er meer leerlingen afvallen, maar kunnen hen juist stimuleren tot grotere inspanning en discipline om aan die normen te voldoen. En het zijn net die kwalificaties die onze leerlingen na hun slagen nodig hebben om kans te maken in Nederland.
Vanzelfsprekend zijn realistischer normen niet de enige oplossing voor het zittenblijversprobleem. Een effectief taalbeleid met een intensieve en voortvarende taalaanpak en meer inspirerende docenten zullen daarnaast ongetwijfeld bijdragen tot betere studieresultaten.