Het Algemeen Pensioen Fonds Aruba (APFA)

In de periode 2009-2010 werd de Arubaanse gemeenschap herhaaldelijk opgeschrikt door slecht nieuws over  het Algemeen Pensioen Fonds Aruba (APFA). De problemen waren vooral het gevolg van de toepassing van regels uit de Pensioenverordening Landsdienaren (PVL) die nog dateerde uit 1936. In deze regeling werd de hoogte van het uiteindelijke pensioen gebaseerd op het salaris van de laatste twee dienstjaren. Dit pensioen kon,vanwege de ‘tropenjaren’, reeds vanaf het 55e levensjaar worden genoten. Vanaf het 60e levensjaar ontving de ‘pensionado’ daarnaast nog het AOV-pensioen waarna het totale pensioen aanzienlijk meer werd dan 70% van het laatstgenoten salaris. Voor velen was dit een bijzonder aantrekkelijke regeling.

Al decennialang was het duidelijk dat de PVL een te riante regeling was voor deze tijd en versoberd moest worden.  De kosten vormden een onverantwoord zware belasting  voor de overheid als werkgever. Tot concrete acties om de regeling aan te passen kwam het echter nooit.  Uit vrees voor verkiezingsverlies en weerstand van de overheidsvakbonden werd deze zaak op zijn beloop gelaten. Nog ernstiger werd de situatie toen als gevolg van de financiële crisis vanaf 2008 wereldwijd  de waarde van beleggingsproducten van financiële instellingen zoals banken, verzekeraars en pensioenfondsen onderuit ging. Ook het APFA kreeg te maken met  een waardevermindering van omstreeks Af. 300 miljoen van haar internationale beleggingen die 30% van haar totale vermogen uitmaakten op een totaal van Af. 1,7 miljard.

Ofschoon deze waardevermindering naderhand voor een deel weer werd goedgemaakt door een stijging van de waarde van de beleggingen, waren de gevolgen voor het PVL-fonds dramatisch. De dekkingsgraad (de verhouding tussen de contante waarde van de beleggingen en de contante waarde van de verplichtingen) zakte van 85% naar 65%.  Internationaal geldt de norm dat pensioenfondsen moeten zorgen voor een dekkingsgraad van minimaal 110%. Tegenover de licht verbeterde beleggingsresultaten stonden tegenvallende resultaten als gevolg van de lage rente op uitstaande gelden. Voor een pensioenfonds betekent dit dat de uitgekeerde pensioenen op den duur niet meer betaald kunnen worden uit de opbrengsten van belegd kapitaal  maar rechtstreeks uit de betaalde premies moeten komen.  Hierdoor krijgt het kapitaaldekkingsysteem van het APFA steeds meer het karakter van een omslagstelsel.  In 2009 ging het APFA daarom over tot een premieverhoging van 34,1 naar 41%. Voor de regering had dit dramatische gevolgen. Waar de regering bij een premie van 25% indertijd reeds Af. 30 miljoen voor haar personeel per jaar betaalde, betekende de enorme premietoename, in combinatie met de duurtetoeslag (vgl. indexering) een niet meer op te brengen verplichting voor de overheid.

Uit actuarisonderzoek, begin 2010,  bleek dat de positie van het APFA zelfs voor de heel korte termijn feitelijk onhoudbaar was. Daarop kondigde het APFA in april 2010 aan dat het zich genoodzaakt zag haar premies te verhogen van 41 naar 68%. Voor de overheid, die als werkgever het grootste deel van de premies  verschuldigd is (omstreeks 60% van de salarissen),  betekende dit een onvoorziene uitgave van Af. 70-80 miljoen. Kort daarvoor had de regering eenzelfde bedrag laten schieten door de  Belasting op Bedrijfsomzetten (BBO) te halveren.  Deze tegenvaller kwam bovenop het  reeds voorziene begrotingstekort ad Af.224,6 miljoen. Er moesten op zeer korte termijn ingrijpende maatregelen genomen worden om zowel het pensioen van de ambtenaren onder het PVL-systeem als de overheidsfinanciën uit de directe gevarenzone te halen.

In de daaropvolgende Sociale Dialoog besprak de regering met haar sociale partners de problemen van het APFA. Met instemming van de meeste  vakbonden werd overeengekomen dat de PVL-voorziening met ingang van 1 januari 2011 zou worden ‘versoberd’. Met eerbiediging van ‘reeds verkregen rechten’ zou de pensioenleeftijd worden verhoogd tot 60 jaar. Verder zouden de pensioenuitkeringen worden gebaseerd op het middenloon en er zou een franchise gehanteerd worden vanwege de AOV. Hierdoor kreeg het APFA enige ademruimte maar zowel het IMF, de actuarissen als  het APFA zelf gaven al aan dat deze maatregelen onvoldoende zijn om het PVL-fonds ‘duurzaam’ te maken. De deelnemers moeten  dan ook ernstig rekening houden met een verdere verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd naar bijvoorbeeld 62 jaar, alsmede andere maatregelen.

Deze ingrijpende maatregelen werden genomen  op een moment dat  soortgelijke ingrepen in Europa tot ernstige rellen leidden.  Het Franse voornemen om de pensioengerechtigde leeftijd per 2018 (!) te verhogen van 60 tot 62 jaar leidde tot landelijke stakingen en heftige demonstraties. In Aruba bleven deze uit omdat men maar al te goed besefte dat het  een kwestie was van slikken of stikken. Bovendien was er landelijk geen enkele bereidheid vanuit de vakbonden, de commerciële sector of de werkgevers om bij te dragen aan het alternatief: hogere belastingen ten behoeve van verhoogde premies voor de vele (onder meer overtollige) ambtenaren, die toch al een uitzonderingspositie in de gemeenschap innemen met hun luxe pensioenregeling. Toch is het op zijn plaats na te gaan hoe het zover heeft kunnen komen.